Inhoud
- Verankering
- Ventilatie
- Plaatsing onderdak
- Plaatsing Koramic gevelpannen
- Plaatsing Pottelberg vorstenhoeden
- Gevelbekleding en boogdaken
NORMATIEVE PLAATSINGSVOORSCHRIFTEN
Het Wetenschappelijk en Technisch Centrum voor het Bouwbedrijf (W.T.C.B.) heeft een aantal adviezen en richtlijnen opgesteld voor de opbouw en uitvoering van hellende daken met kleidakpannen en deze gebundeld in de Technische Voorlichtingen 175, 186 en hun addendum. Deze documenten werden opgesteld door een Technisch Comité Dakbedekkingen, bestaande uit afgevaardigden van het W.T.C.B., de Landsbond der patroonsverenigingen installateurs van gezondheidsinrichtingen en gasverwarming, lood- en zinkbewerkers en schaliedekkers (L.B.I.S) en de vereniging van Belgische dakpanfabrikanten en zijn sinds kort genormeerd:
- NBN B 42-001: TV 175 “Daken met pannen in gebakken aarde. Opbouw en uitvoering.”
- NBN B 41-001: TV 186 “Daken met tegelpannen. Opbouw en uitvoering.”
- NBN B 42-002: Addendum aan NBN B 41-001 en NBN B 42-001.
Deze Technische Voorlichtingen gelden nu als normatieve plaatsingsvoorschriften. Zij kunnen besteld worden op het volgend adres: W.T.C.B. - Dienst Publicaties Lombardstraat 42, 1000 Brussel - T 02 529 81 00 - F 02 529 81 10 - www.bbri.be
BINDENDE PLAATSINGSVOORSCHRIFTEN
1. VERANKERING VAN KORAMIC KLEIDAKPANNEN, GEVELPANNEN EN VORSTEN
1.1. INLEIDING
In België is de plaatsing van keramische dakpannen geregeld via 3 plaatsingsnormen:
- NBN B 42-001: Daken met pannen in gebakken aarde. Opbouw - uitvoering (uitgave WTCB, TV 175).
- NBN B 41-001: Daken met tegelpannen. Opbouw en uitvoering (uitgave WTCB, TV 186).
- NBN B 42-002: Addendum aan NBN B 41-001 en NBN B 42-001.
In deze normatieve documenten wordt de verankering van alle in België verkochte keramische dakpannen bepaald aan de hand van volgende invloedsfactoren:
1° Massa dakbedekking (in kg per m2)
2° Dakhelling (in °)
3° Zone waarin het gebouw zich bevindt: kust - stad - industriezone - landelijke zone *
4° Hoogte nok (in m)
* Voor de bepaling van deze zones refereren wij naar de Ontwerp Europese Norm
prEN 1991-1-4.6: 2002, Eurocode 1 waarin de verschillende zones omschreven staan:
- Kust: Kustgebied blootgesteld aan de zee.
- Stad: Zone waarvan minstens 15% van het oppervlak bebouwd is en waarbij de gemiddelde hoogte van de gebouwen hoger is dan 15 meter.
- Industriezone: Zone met regelmatige aanwezigheid van begroeiing of gebouwen of met aparte obstakels waarvan de tussenafstand maximaal 20 maal hun hoogte is.
- Landelijke zone: Zone met aanwezigheid van lage begroeiing en aparte obstakels waarvan de tussenafstand groter is dan 20 maal hun hoogte.
Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt tussen de middenzone en de randzone van het dak. De randzone is de zone die volgt uit een berekening bepaald door het addendum en is afhankelijk van de nokhoogte van het gebouw en de buitenafmetingen van het gebouw. De middenzone is de resterende oppervlakte. Uiteraard dienen de geldende plaatsingsnormen voor het grondgebied België, opgenomen in de NBN B 42-001, de NBN B 42-002 en de NBN B 41-001 te worden nageleefd. Vermits de voornoemde plaatsingsnormen niet specifiëren welke types verankering dienen aangebracht te worden bij welk type van dakpan, gelden daarenboven een aantal plaatsingsvoorschriften specifiek geldend voor alle Koramic modellen.
Hierna wordt een overzichtelijke tabel weergegeven waarin wordt uiteengezet welk type verankering dient te worden aangewend. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen daken met een helling lager dan 70° en daken met een helling vanaf 70° en gevelbekleding. In geval de in dit document vernoemde normen en plaatsingsvoorschriften niet worden nageleefd, zal de producent niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade ontstaan tengevolge de niet-naleving van deze normen en voorschriften.
BINDENDE PLAATSINGSVOORSCHRIFTEN
1. VERANKERING VAN KORAMIC KLEIDAKPANNEN, GEVELPANNEN EN VORSTEN
1.1. INLEIDING
In België is de plaatsing van keramische dakpannen geregeld via 3 plaatsingsnormen:
- NBN B 42-001: Daken met pannen in gebakken aarde. Opbouw - uitvoering (uitgave WTCB, TV 175).
- NBN B 41-001: Daken met tegelpannen. Opbouw en uitvoering (uitgave WTCB, TV 186).
- NBN B 42-002: Addendum aan NBN B 41-001 en NBN B 42-001.
In deze normatieve documenten wordt de verankering van alle in België verkochte keramische dakpannen bepaald aan de hand van volgende invloedsfactoren:
1° Massa dakbedekking (in kg per m2)
2° Dakhelling (in °)
3° Zone waarin het gebouw zich bevindt: kust - stad - industriezone - landelijke zone *
4° Hoogte nok (in m)
* Voor de bepaling van deze zones refereren wij naar de Ontwerp Europese Norm
prEN 1991-1-4.6: 2002, Eurocode 1 waarin de verschillende zones omschreven staan:
- Kust: Kustgebied blootgesteld aan de zee.
- Stad: Zone waarvan minstens 15% van het oppervlak bebouwd is en waarbij de gemiddelde hoogte van de gebouwen hoger is dan 15 meter.
- Industriezone: Zone met regelmatige aanwezigheid van begroeiing of gebouwen of met aparte obstakels waarvan de tussenafstand maximaal 20 maal hun hoogte is.
- Landelijke zone: Zone met aanwezigheid van lage begroeiing en aparte obstakels waarvan de tussenafstand groter is dan 20 maal hun hoogte.
Daarnaast wordt een onderscheid gemaakt tussen de middenzone en de randzone van het dak. De randzone is de zone die volgt uit een berekening bepaald door het addendum en is afhankelijk van de nokhoogte van het gebouw en de buitenafmetingen van het gebouw. De middenzone is de resterende oppervlakte.
Uiteraard dienen de geldende plaatsingsnormen voor het grondgebied België, opgenomen in de NBN B 42-001, de NBN B 42-002 en de NBN B 41-001 te worden nageleefd. Vermits de voornoemde plaatsingsnormen niet specifiëren welke types verankering dienen aangebracht te worden bij welk type van dakpan, gelden daarenboven een aantal plaatsingsvoorschriften specifiek geldend voor alle Koramic modellen.
Hierna wordt een overzichtelijke tabel weergegeven waarin wordt uiteengezet welk type verankering dient te worden aangewend. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen daken met een helling lager dan 70° en daken met een helling vanaf 70° en gevelbekleding.
In geval de in dit document vernoemde normen en plaatsingsvoorschriften niet worden nageleefd, zal de producent niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schade ontstaan tengevolge de niet-naleving van deze normen en voorschriften.
1.2. TYPE VERANKERING
1.2.1. ALGEMEEN
Uit proeven die werden uitgevoerd in opdracht van Koramic bij TNO Nederland (proefrapport 1999-CON-DYN-R0073) is gebleken dat de diagonale verankering met zowel schroef als zijdelingse panhaak de grootste garanties biedt in de meest ongunstige omstandigheden (met name bij gevelbekleding in de kuststreek). Teneinde het klapperen of pivoteren van de dakpannen te vermijden, adviseert Koramic dat gebruik dient gemaakt te worden van de Koramic zijdelingse panhaken, uitgevoerd in roestvrij staal. Vorsten, noordbomen en gevelpannen (pannen met dubbele wel of gewone pannen indien geen gevelpannen worden gebruikt) dienen steeds 1 op 1 te worden verankerd.
In bijgevoegde tabel wordt per product (dakpan, gevelpan, vorst en noordboom) het aan te wenden verankeringshulpmiddel voorgesteld. Alle in de tabel voorgeschreven producten zijn opgenomen in het Koramic gamma. Koramic benadrukt het belang - onafhankelijk van de toepassing - van een correct uitgevoerde verankering van zowel de keramische producten op de panlatten als de complete onderliggende draagstructuur. Alle panhaken zijn standaard voorzien voor panlatten van 24 x 32 mm. Afwijkende panlatafmetingen vereisen een andere panhaak. Deze zijn op bestelling leverbaar.


1.2.2. DAKHELLING < 70°

1.2.3. DAKHELLING > of = 70°
Door de combinatie zwaartekracht en windzuiging is het noodzakelijk dat elk product 1 op 1 wordt verankerd.

2. VENTILATIE
2.1. WAAROM VENTILEREN?
Koramic garandeert op basis van de EN1304, uitgave juni 2005, de vorstbestandheid van de door haar geproduceerde dakpannen voor een periode van 30 jaar. In tegenstelling tot andere fabrikanten, houdt deze garantie niet alleen het gratis leveren van nieuwe dakpannen in maar ook de kosten voor het plaatsen van de te vervangen dakpannen. Om van de 30 jaar waarborg op Koramic kleidakpannen te kunnen genieten dienen de Koramic plaatsingsvoorschriften correct te worden nageleefd en in het bijzonder volgende regels te worden gerespecteerd:
- Het onderdak moet correct geplaatst zijn.
- De pannen moeten geplaatst worden op een dubbele lattenstructuur van panlatten en tengellatten.
- De tengellatten moeten een minimale dikte van 15 mm hebben.
- Er moet voldoende luchtinlaat zijn, hetzij door een continue opening van 15 mm ter hoogte van de goot, hetzij door gebruik van een ventilerende onderlat, hetzij door plaatsing van voldoende ventilatiepannen.
- Er moet voldoende luchtuitlaat zijn, hetzij door gebruik van droge, ventilerende Koramic ondervorsten, hetzij door gebruik van voldoende ventilatiepannen.
De overige voorwaarden kunt u terugvinden op onze website www.koramic.com.
Ventilatie levert een positieve bijdrage tot het uitdrogen van de dakstructuur die mogelijks nat geworden is tijdens de opbouw van het dak, maar die eveneens nat kan worden tijdens uitzonderlijke weersomstandigheden, zoals combinatie hevige slagregen en stormwind, fijne stuifsneeuw onder windbelasting, etc.
Ventilatie van de spouw tussen dakbedekking en onderdak leidt eveneens tot het sneller uitdrogen van de dakbedekking wat algenvorming vertraagt. Buitenlandse normen, zoals BS5534, DIN4108 en DTU 40.21 leggen ventilatie op. Door het niet bestaan van een normatief kader in België omtrent ventilatie, geeft Koramic richtlijnen. Daar de dakopbouw in Frankrijk het meest onze dakopbouw in België benadert, baseren wij ons vooral op de DTU 40.21 om deze richtlijnen op te maken.
2.2. HOE VENTILEREN?
Belangrijk !!
Indien we spreken over ventilatie van daken wordt er bedoeld de ventilatie tussen pannen en onderdak en dus NIET van de onderliggende dakstructuur. Het is dus ten strengste verboden de ruimte tussen onderdak en isolatie te ventileren. De onderdaken dienen dus afgedicht te worden ter hoogte van de nok, teneinde luchtstroming te vermijden tussen onderdak en isolatie.
Om de ventilatie tussen de dakbedekking in kleidakpannen en het onderdak te verzekeren zijn er verschillende mogelijkheden, die hierna besproken worden.
2.2.1. LUCHTUITLAAT TER HOOGTE VAN DE VORST
A. Ventilerende ondervorst
Om een goede luchtuitlaat ter hoogte van de vorst te hebben is het zeer belangrijk dat er een vlotte luchtdoorstroming mogelijk is onder de noklat. Om dit te bekomen, zijn er twee mogelijkheden:
- Noklat op verstelbare nokruiter (1)
- Noklat bevestigd met JUSTY schroeven (2)
In praktijk zien we vaak dat de opbouw van de noklat gebeurt met de restanten aan panlatten. Hierdoor is de luchtdoorstroming zeer beperkt en in sommige gevallen (wanneer er geen openingen gelaten worden) zelfs nihil. Onze voorkeur gaat echter uit naar één van de twee hierboven vermelde oplossingen daar op deze manier een homogene ventilatie over de volledige dakbreedte wordt bekomen. Voor specifieke informatie betreffende bovenstaande mogelijkheden, verwijzen wij graag naar het hoofdstuk KoraTech®.
Voor het ventileren ter hoogte van de vorst hebben we 5 verschillende types in het gamma:
Alurol (1) - Grafirol (2) - Flexirol (3): voor keperlengtes (dakvlaklengtes) < of = 10 m
Aluventa (4) : voor keperlengtes (dakvlaklengtes) > 10 m of wanneer de ruimte tussen onderdak en dakbedekking extra dient geventileerd te worden (bijvoorbeeld bij gebruik van reflecterende onderdaken)
Quick fix (5) : voor het droog plaatsen van vorsten en noordbomen zonder sluiting
(P0001400 en P0003300)
Voor meer informatie betreffende deze materialen verwijzen we u graag naar het hoofdstuk KoraTech®.
B. Ventilatiepannen
Ventilatiepannen worden vooral geplaatst bij daken waarbij de vorsten ingemorteld zijn. Het aantal ventilatiepannen is afhankelijk van de dakhelling, de lengte van het dakvlak en het type pan dat u gebruikt. U kan het aantal benodigde ventilatiepannen ter hoogte van de nok berekenen met onderstaande formule:
Lengte dakschild (cm) x cos x breedte dakschild (cm)
------------------------------------------------------------------------------- = aantal ventilatiepannen ter hoogte van de nok
6.000 x ventilatiesectie per ventilatiepan (cm2)
cos = dakhelling in °
Indien u geen gebruik wenst te maken van de hierboven vermelde formule, geven wij u hieronder een tabel waarin u het aantal ventilatiepannen per lopende meter vorst kan aflezen in functie van het panmodel:

2.2.2. LUCHTINLAAT TER HOOGTE VAN DE GOOT
De luchtinlaat wordt het best gecreëerd door de tengellat met minimale dikte van 15 mm die doorloopt tot aan de goot. Deze luchtinlaat wordt afgewerkt met een aluminium vogelscherm om indringen van
vogels en ongedierte tegen te gaan. (1).
Indien het door omstandigheden niet mogelijk is om de tengellatten te laten doorlopen tot aan de goot, bijvoorbeeld doordat de gootplank bovenop de spanten werd geplaatst in plaats van ertussen, adviseren wij het gebruik van de ventilerende onderlat (2).
Door het gebruik van deze ventilerende onderlat verzekert u de afvoer van eventueel infiltratiewater (stuifsneeuw, regeninslag bij zware regen/wind combinaties etc.) naar de goot en een correcte luchtinlaat, nodig voor het bekomen van de 30 jarige garantie van Koramic.
Voor meer info betreffende afmetingen en plaatsing van het product verwijzen wij naar het hoofdstuk KoraTech®.
3. PLAATSING VAN HET ONDERDAK
3.1. ALGEMEEN
Het onderdak heeft verschillende functies:
- de regendichtheid van het dak tijdelijk verzekeren en het water afvoeren naar de goot
- de stormvastheid van het dak bevorderen
- de stofdichtheid van het dak verbeteren
- de dakisolatie verbeteren en in stand houden
- het afdruppelen van condensatiewater voorkomen of beperken
Onze voorkeur gaat uit naar dampdoorlatende, capillaire onderdaken, omdat in dit geval bij gebeurlijke condensatie op de onderzijde van het onderdak het afdruppelen beperkt, zoniet vermeden wordt.
Voor specifieke plaatsingsvoorschriften van de verschillende onderdaken adviseren wij u contact op te nemen met de desbetreffende onderdakfabrikanten.
Belangrijk !!
Zorg er steeds voor dat de onderdakconstructie regen- en winddicht afgewerkt is, zodat stof en stuifsneeuw nooit onder het onderdak schade kunnen aanbrengen. Zowel aan de vorst als aan de noordboom aansluitingen dient men de nodige maatregelen te treffen. Ook dient de nodige zorg besteed te worden ter hoogte van overlappingen en dakdoorbrekingen.
Bij soepele onderdaken kan dit door de laatste strook ter hoogte van de vorst / noordboom van het ene dakvlak over te plooien naar het andere dakvlak.
In geval van ongelijke dakhellingen dient ter hoogte van de noordboom het soepele onderdak steeds overgeplooid te worden van het dakvlak met de hoogste dakhelling naar het dakvlak met de laagste dakhelling. Bij een stijf onderdak kan dit door ter hoogte van de vorst / noordboom bovenop het onderdak (en onder de tengellatten) een bijkomende strook soepele folie aan te brengen.
3.2. PLAATSINGSVOORSCHRIFTEN VOOR HET UITVOEREN VAN FLAUWHELLENDE DAKEN
Meer en meer worden we geconfronteerd met de vraag of de kleidakpannen van Koramic ook op lage hellingen mogen toegepast worden. Het antwoord is éénduidig en positief: Koramic kleidakpannen kunnen ook op lage hellingen geplaatst worden mits het in acht nemen van de volgende voorzorgsmaatregelen en de hierna gespecificeerde uitvoeringsrichtlijnen. Voor elk van de Koramic dakpanmodellen is een minimale toegelaten dakhelling vastgesteld. Deze dakhelling is zodanig dat er bij normale klimatologische omstandigheden geen infiltratie is van hemelwater. De eis die gesteld wordt aan het onderdak is de regendichtheid van de constructie te verzekeren. Deze regendichtheid wordt gedefinieerd als de mogelijkheid om bij zware combinaties van regen en wind het infiltrerende hemelwater over het onderdak naar de goot te leiden. Beperkte infiltraties worden toegelaten en kunnen probleemloos afgevoerd worden zonder dat er infiltratie is naar de binnenruimte. Een regendicht onderdak kan zowel soepel als stijf zijn en de horizontale overlapping is in functie van de dakhelling. Geen speciale eisen gelden voor het afkleven of afdichten van de naden.
Evenwel wordt het afkleven van de naden aangeraden om de luchtdichtheid van de dakconstructie te verbeteren.
Wanneer de dakhelling lager is dan de toegelaten minimale dakhelling, verhoogt de kans op infiltratie van hemelwater. Het onderdak neemt samen met de pannen de taak over van de waterdichte scheiding tussen binnenklimaat en buitenklimaat. De keramische dakpan heeft maar een beperkte waterkerende functie meer. Het onderdak moet dus in staat zijn om grotere hoeveelheden infiltrerend hemelwater af te voeren naar de goot zonder het minste risico op infiltratie naar de binnenruimte toe. Dit betekent dat alle overlappingen, opstanden en doorboringen perfect moeten afgewerkt worden. Betreffende de keuze van het onderdak gelden hier extra eisen.
Twee mogelijke uitvoeringen werden uitgewerkt (van binnen naar buiten):
A. Voor dakhellingen tot 10° beneden onze opgegeven minimale dakhelling met een absoluut minimum van 10°
1. Beplanking of bebording: een uit houten planken of platen voorziene structuur die de nodige stevigheid moet bieden bij het aanbrengen van het waterdichte membraan. Deze beplanking of bebording kan eventueel vervangen worden door een isolerende onderdakplaat met een 4-zijdig tandgroefsysteem, wat als bijkomend voordeel heeft dat er een bijkomende isolatie geplaatst wordt op de spanten.
2. Specifieke dampopen soepele folie voor flauwhellende daken, waarbij de overlappende naden en opstanden met de geëigende tapes afgedekt worden.
3. Dubbele houten structuur: gebruik tengellatten met een minimum dikte van 15 mm en panlatten met een minimum sectie 24 x 32 mm (dimensies afhankelijk van de afstand tussen de spanten). Onder de tengellatten dient een nageldichtingsband aangebracht te worden. Hier dient wel ter hoogte van de goot een zinken slab te worden geplaatst op de eerste panlat om het onderdak te beschermen
tegen UV-straling. Ook adviseren wij in dit geval geen ventilatiepannen te plaatsen, maar te werken met een ventilerende ondervorst van Koramic.
4. Keramische dakbedekking.
B. Voor dakhellingen die niet voldoen aan de criteria vermeld in A
1. Beplanking of bebording: een uit houten planken voorziene structuur die de nodige stevigheid moet bieden bij het aanbrengen van het waterdichte membraan. Deze beplanking of bebording kan vervangen worden door een isolerende onderdakplaat met een 4-zijdig tandgroefsysteem, wat als bijkomend voordeel heeft dat er een bijkomende isolatie geplaatst wordt op de spanten.
2. Een waterdicht membraan. Als waterdicht membraan wordt vaak een EPDM-laag of een bitumineus membraan geplaatst dat ofwel gekleefd ofwel gebrand wordt (neem hiervoor contact met de leverancier/fabrikant om de juiste installatie te verzekeren). Belangrijk is te weten dat deze membranen dampdicht zijn.
3. Bij het gebruik van een bitumineus membraan kunnen de tengellatten eerst op de beplanking worden aangebracht, met daarbovenop doorlopend het membraan. Een variante is in volcontinu het
membraan aanbrengen, daar bovenop de tengellatten en afwerken met strippen membraan. Deze laatste techniek kan tijdsbesparend werken.
4. Keramische dakbedekking.
Belangrijk !!
Wanneer het onderdak dampdicht uitgevoerd wordt, gelden dezelfde regels voor de dakopbouw als voor het platte dak. Extra aandacht gaat hierbij naar de juiste keuze voor het dampscherm binnen en naar de verzekering van de luchtdichte afwerking. Voor de juiste keuze van het onderdak en het bijhorende dampscherm verwijzen we naar de Technische Voorlichting 215 “Het Platte Dak, opbouw, materialen, uitvoering, onderhoud.” van het WTCB.
Nog enkele belangrijke tips:
Wanneer het dak bestaat uit delen met een verschillende helling wordt het steeds aangeraden om het volledige onderdak stroomafwaarts van het flauwhellende dak uit te voeren volgens bovenstaande
voorschriften.
Als hout voor de panlatten adviseren wij hout van duurzaamheidsklasse 1 te gebruiken (bv. Platohout) of geïmpregneerd hout. De panlatten dienen bevestigd te worden met inox nagels of schroeven.
Bij een aantal dakpannen met regelbare latafstand kan de minimale dakhelling verlaagd worden indien ze geplaatst worden op hun respectievelijke minimale latafstand en mits de correcte uitvoering van een regendicht onderdak. U vindt de uitwerking hiervan in onderstaande tabel. Indien deze dakpannen op een helling geplaatst worden lager dan de toegelaten minimale dakhelling, moeten dezelfde
voorzorgsmaatregelen en uitvoeringsmodaliteiten als bij de andere modellen in acht genomen worden.

4. PLAATSINGSVOORSCHRIFTEN VOOR KORAMIC GEVELPANNEN
De afstand tussen de buitenwand van het metselwerk of in zijn algemeenheid de constructie die het dichtst bij de binnenzijde van de gevelpan komt (dit kan ook een boordplank zijn) - en de binnenkant van de gevelpan dient minimum 10 mm te bedragen (het legplan hieronder geeft een duidelijk voorbeeld van waar deze 10 mm dient genomen te worden, en dit voor de Stormpan 44 Pottelberg (P044).
Op de Koramic website www.koramic.com kan men gelijkaardige legplannen voor andere modellen vinden. De bevestiging van de gevelpannen dient te gebeuren met de daarvoor voorziene panhaken en/of met schroeven voorzien van een rubberen afsluitring (vermijden van waterinfiltratie). Voor de verdere bevestigings- en plaatsingsvoorschriften verwijzen we naar pagina 429 “Verankering van Koramic kleidakpannen, gevelpannen en vorsten” en de van kracht zijnde normen. Indien men van oordeel is dat de afstand tussen gevelpan en gevel het binnendringen van vogels zou kunnen toelaten, dan kan de plaatsing van een vogelscherm een mogelijke oplossing zijn. Koramic biedt deze aluminium vogelschermen aan onder bestelnummer 12900722 (roodbruin) en 12900723 (bruin-zwart) (lengte 100 cm, hoogte 6 cm).

De afstand van minimum 10 mm is absoluut noodzakelijk om de verschuiving van de gevelpan, door toedoen van het zetten van de gevel of het krimpen van de panlat, toe te laten. Vooral dit laatste kan een relatief belangrijke verschuiving teweeg brengen, voornamelijk bij recent gedrenkte latten of bij latten die door regen vochtig geworden zijn. (De VZW Hout geeft een krimp aan van 1%, wat voor een panlat op een afstand van 50 cm tussen de eerste keper en het einde van de lat, een beweging van 5 mm betekent !).
De afstand van 10 mm is bovendien conform de door het Duitse Dakwerkers Verbond (ZVDH) uitgegeven vakregels (Fachregel für Dachdeckungen mit Dachziegeln und Dachsteinen).
5. PLAATSINGSVOORSCHRIFTEN VOOR POTTELBERG VORSTENHOEDEN:
- Plaatsen van de Koramic droge ondervorsten: Alurol, Grafirol, Flexirol, Aluventa of Quick fix
- Plaatsen en verzagen van vorsten en noordbomen: Het vastmaken van de vorsten en noordbomen gebeurt bij voorkeur met de Koramic vorstklem in aluminium en met een inox schroef voorzien van EPDM-ring.
- Plaatsen van de vorstenhoed: Het vastleggen van de vorstenhoed gebeurt bij voorkeur met een bijgeleverde roestvrij stalen schroef met EPDM-ring. Door de correcte plaatsing kan men het indringen van vocht en klein ongedierte voorkomen en bekomt men een fraai resultaat.

Indeling van het gamma dakpannen


Vraag onze catalogus aan
Download de brochure
Stel een vraag
Verdelerlijst – Vakman